Duaal leren: leervergoeding bij overeenkomst van alternerende opleiding

Sinds 1 september heeft Vlaanderen een nieuw kader voor alternerende opleidingen. Voortaan bestaan er nog maar 2 soorten overeenkomsten voor leerlingen in het systeem van leren en werken:
een overeenkomst van alternerende opleiding als de opleiding gemiddeld op jaarbasis minstens 20 uur per week opleiding op een ‘reële werkplek’ omvat, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;
een (onbezoldigde) stageovereenkomst alternerende opleiding:
-
als de opleiding door de Vlaamse Regering als duaal is aangeduid en op de werkplek gemiddeld op jaarbasis minder dan 20 uur per week bedraagt, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;
-
als de opleiding uitsluitend plaatsvindt op een ‘gesimuleerde werkplek’.
De modaliteiten voor de overeenkomst en de stageovereenkomst alternerend leren zijn gelijklopend, met uitzondering van de vakantieregeling en de vergoeding.
Bij de overeenkomst van alternerende opleiding ontvangt de leerling maandelijks een leervergoeding van de onderneming. De vergoeding is door de onderneming verschuldigd, zowel voor de opleiding in de onderneming als voor het volgen van de lessen en de activiteiten die gelijkgesteld zijn met lessen. De bepalingen van de Loonbeschermingswet zijn van toepassing op de leervergoeding.
Let op! De onderneming die de overeenkomst beëindigt op een wijze die strijdig is met de bepalingen van het nieuwe kaderdecreet, is een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met een leervergoeding voor een maand.
Andere aspecten van de leervergoeding komen aan bod in het uitvoeringsbesluit van 8 juli 2016. Die regels gelden ook sinds 1 september.
De leervergoeding bedraagt een percentage van het nationaal gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI) voor werknemers van 18 jaar en ouder (afgerond naar het hogere veelvoud van 10 cent):
1/ 29% tijdens het eerste opleidingsjaar van een alternerende opleiding (444,30 euro);
2/ 32% als de leerling een van de volgende jaren of graden met succes heeft beëindigd (490,30 euro):
het eerste opleidingsjaar van een alternerende opleiding;
de tweede graad van het secundair onderwijs.
3/ 34,50% als de leerling een van de volgende jaren, kwalificatiefases of opleidingen met succes heeft beëindigd (528,60 euro):
het tweede opleidingsjaar van een alternerende opleiding;
het eerste jaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
de kwalificatiefase van het buitengewoon secundair onderwijs (opleidingsvorm 3).
Een leerling wordt geacht het opleidingsjaar met succes te hebben beëindigd als hij op basis van de competenties, verworven tijdens dat opleidingsjaar, studievoortgang kan maken.
De verhoging van de leervergoeding vangt aan bij de start van het volgende opleidingsjaar, op 1 september.
Verder gelden volgende beperkingen:
De leervergoeding is niet hoger dan het bedrag dat een leerling maximaal mag verdienen om recht te hebben op een uitkering in het kader van de wetgeving op de kinderbijslagen.
De onderneming betaalt de leervergoeding aan de leerling, tenzij er verzet is door de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige leerling. Bij verzet van de wettelijke vertegenwoordiger betaalt de onderneming de leervergoeding aan de wettelijke vertegenwoordiger.
De onderneming is geen leervergoeding verschuldigd bij arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval en beroepsziekte.
Gedurende de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding behoudt de leerling de leervergoeding onder dezelfde waarborgen als die welke gelden voor het loon van een werknemer met een arbeidsovereenkomst.

Besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2016 houdende uitvoering van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen, BS 1 september 2016

Decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen, BS 17 augustus 2016

Meer gratis nieuws binnen het thema Veiligheid