print

Cass. 9 december 2016

Borgtocht - art. 2037 BW - art. 1285 BW - kwijtschelding - aftrek van het aandeel van degenen aan wie kwijtschelding verleend is - art. 1287- 1288 BW - afstand van hoofdelijkheid

Artikel 1285 BW bepaalt dat de kwijtschelding of ontslag bij overeenkomst ten voordele van één van de hoofdelijke medeschuldenaars al de overige schuldenaars bevrijdt, tenzij de schuldeiser zich uitdrukkelijk zijn rechten tegen hen heeft voorbehouden (eerste lid) en dat in dit laatste geval hij de schuld niet kan invorderen dan na aftrek van het aandeel van degene aan wie hij kwijtschelding heeft verleend (tweede lid).
Krachtens artikel 1287 lid 3 BW behoudt de schuldeiser die aan één van de borgen kwijtschelding heeft verleend, zijn rechten tegen de medeborgen.
Artikel 1288 BW verplicht de schuldeiser wat hij van een borg heeft ontvangen in mindering te brengen van de schuld. Uit deze bepalingen volgt dat, indien de schuldeiser aan één van de hoofdelijke borgen kwijtschelding heeft verleend, de medeborgen worden bevrijd tot beloop van de bijdrageplicht van de bevrijde borg, tenzij wanneer de kwijtschelding werd afgekocht en de afkoopsom meer bedraagt dan de bijdrageplicht van de bevrijde borg. In dat geval worden de medeborgen bevrijd tot beloop van deze afkoopsom.
De appelrechters die oordelen dat uit artikel 1285 lid 2 BW volgt dat de hoofdelijke medeborg ten hoogste kan worden aangesproken voor de helft van de borgstelling, verminderd met het bedrag van de kwijtschelding, verminderen aldus de schuld met een hoger bedrag dan dat van het aandeel als medeborg, terwijl de afkoopsom minder bedroeg dan dit aandeel. De appelrechters verantwoorden zodoende hun beslissing niet naar recht.

Cass. 9 december 2016, NjW 2017, afl. 364, 448.