print

Gent 25 januari 2016

Artikel 2272 lid 3 en 5 BW - uitdovende verjaring - vordering met betrekking tot schoolfacturen - eenjarige verjaringstermijn - artikel 2275 lid 1 BW - artikel 2274 BW

Artikel 2272 lid 3 en 5 BW bevat een uitdovende verjaring, op grond waarvan de schuldenaar bevrijd is van haar schuld door het enkele verloop van de tijd, zonder enige prestatie te leveren.
Artikel 2272 lid 3 en 5 BW bepaalt dat de rechtsvordering van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen en van andere meesters, tot betaling van het leergeld, verjaren door de loop van een jaar. Deze bepaling moet in zijn geheel gelezen worden. De eenjarige verjaringstermijn is niet beperkt tot de vordering tegen kostscholen, maar is van toepassing op alle vorderingen van scholen voor de betaling van schoolrekeningen.
Omdat er sprake is van een doorlopend ontstaan van de vordering en omdat de betaling normaal gezien kort daarop moet volgen, verjaart de vordering na één jaar. De school moet binnen het jaar minstens de verjaring stuiten.
De bijzondere verjaring van artikel 2272 BW is niet enkel van toepassing indien de schuldeiser geen geschrift heeft opgesteld.
De verjaring van artikel 2272 BW heeft plaats, hoewel men met de verstrekkingen, leveringen, diensten en werken is voortgegaan. Zij houdt slechts op te lopen, indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of een authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd (art. 2274 BW).

Gent 25 januari 2016, NjW 2017, afl. 364, 453.