print

GwH 20 oktober 2016, nr. 2016/134

Bescherming dierenwelzijn - verbod op pelsdierhouderij - gelijkheid en niet-discriminatie - beperking van het gebruik van het eigendomsrecht - artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM - invoer- en uitvoerbeperkingen

Het principiële verbod op pelsdierhouderij van artikel 1 van het bestreden decreet houdt volgens het Grondwettelijk Hof een te verantwoorden verschil in behandeling in tussen, enerzijds, de personen die pelsdieren houden voor uitsluitend of voornamelijk de productie van pelzen en, anderzijds, de personen die pelsdieren houden voor andere doeleinden, zoals de productie van vlees voor consumptie. Het Hof oordeelt dat het verschil in behandeling berust op een objectief criterium. Daarbij haalt het Hof aan dat het verbod pertinent is om een doeltreffende bescherming van het welzijn van die dieren te waarborgen. Ook komt een dergelijk verbod tegemoet aan doelstellingen van milieubescherming en ethische overwegingen die bij de meerderheid van de bevolking spelen.
Aangezien er vóór het aannemen van het bestreden decreet geen fokkerijen van pelsdieren bestonden in het Waalse Gewest, noch een gewettigde verwachting kon bestaan bij de rechtsonderhorigen dat dergelijke praktijken toegelaten zouden worden, meent het Hof dat er geen sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het verbod op pelsdierhouderij wordt door het Hof gekwalificeerd als een maatregel die gelijke werking heeft als een kwantitatieve beperking, maar die evenwel gerechtvaardigd wordt op grond van artikel 36 VWEU, aangezien de bescherming van het dierenwelzijn vooropgesteld wordt.

GwH 20 oktober 2016, nr. 2016/134, NjW 2017, afl. 364, 441.