print

GwH 11 mei 2017, nr. 2017/54

Actieve ambtelijke omkoping - actieve private omkoping - art. 246 § 2 en art. 504bis § 2 Sw. - legaliteitsbeginsel in strafzaken - niet-retroactiviteitsbeginsel in strafzaken - interpretatieve wet - strafrechtelijke aansprakelijkheid rechtspersoon - verval strafvordering - art. 20 V.T.Sv. - schending gelijkheidsbeginsel

Krachtens de artikelen 246 § 2 en 504bis § 2 Sw. bevat het misdrijf van actieve omkoping als constitutief bestanddeel het 'voorstellen' van een aanbod, belofte of voordeel van eender welke aard. Zowel de federale regering als de gerechtelijke autoriteiten die deze strafbepalingen moeten toepassen, zijn steeds van oordeel geweest dat de definitie van actieve omkoping naast het 'voorstellen' ook het 'toekennen' van een voordeel beoogt. Het toekennen van een voordeel impliceert immers steeds het voorafgaandelijk voorstellen van dit voordeel. Deze interpretatie volgt ook uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 februari 1999 die deze bepalingen heeft gewijzigd respectievelijk ingevoegd en de interpretatieve wet van 11 mei 2007. Bijgevolg heeft de wetgever op een voldoende duidelijke en rechtszekere wijze ook het 'toekennen' van een voordeel strafbaar gesteld. De artikelen 246 § 2 en 504bis § 2 Sw. schenden het wettigheidsbeginsel en non-retroactiviteitsbeginsel niet.
Ten aanzien van een rechtspersoon vervalt de strafvordering door afsluiting van vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening. Niettemin kan overeenkomstig artikel 20 lid 2 V.T.Sv. de vervolging nog worden uitgeoefend indien de invereffeningstelling of de ontbinding tot doel heeft te ontsnappen aan die vervolging of indien de rechtspersoon door de onderzoeksrechter formeel in verdenking is gesteld vóór het verlies van zijn rechtspersoonlijkheid. Hieruit volgt dat enkel ten aanzien van rechtspersonen die formeel in verdenking zijn gesteld de strafvordering verder kan worden uitgeoefend zonder het bewijs van een ontsnappingsintentie te leveren. Deze bepaling is bestaanbaar met artikelen 10 en 11 Gw. in de mate dat zij een onderscheid invoert tussen de inverdenkinggestelde rechtspersoon en de rechtspersoon die vóór zijn invereffeningstelling of ontbinding het voorwerp heeft uitgemaakt van een nominatieve vordering tot gerechtelijk onderzoek of van een nominatieve klacht met burgerlijkepartijstelling. De nominatief geviseerde rechtspersoon is immers niet vergelijkbaar met de inverdenkinggestelde rechtspersoon, omdat deze niet noodzakelijk kennis heeft van de tegen hem ingestelde strafvordering.
Daarentegen hebben rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling of ontbinding door de raadkamer zijn verwezen naar de correctionele rechtbank of rechtstreeks voor de strafrechter ten gronde zijn gedagvaard wel steeds kennis van de lastens hen ingestelde strafvordering. Daarom is het niet redelijk verantwoord dat de strafvordering ten aanzien van deze laatste categorie rechtspersonen enkel kan worden voortgezet als is aangetoond dat de invereffeningstelling of de ontbinding tot doel heeft aan de vervolging te ontsnappen, terwijl dat bewijs niet is vereist voor de voortzetting van de strafvordering ten aanzien van de rechtspersoon die vóór zijn invereffeningstelling of ontbinding in verdenking is gesteld. In die zin is artikel 20 lid 2 V.T.Sv. strijdig met het gelijkheidsbeginsel.

GwH 11 mei 2017, nr. 2017/54, NjW 2017, afl. 368, 645.