print

GwH 6 juli 2017, nr. 2017/86

Publieke sector - contractuelen - ontslag - audi alteram partem - hoorplicht - schending gelijkheidsbeginsel

Een vrouw die als contractueel teamverantwoordelijke schoonmaak was tewerkgesteld bij de gemeente Evere werd ingevolge negatieve evaluaties, waaruit bleek dat zij niet in staat was om een team te leiden, ontslagen met een opzegvergoeding. Voorafgaandelijk aan dit ontslag werd zij niet gehoord conform het beginsel van behoorlijk bestuur 'audi alteram partem' (de plicht om de betrokkene te horen alvorens een ernstige maatregel te nemen). De beginselen van behoorlijk bestuur zijn volgens het Hof van Cassatie (Cass. 12 oktober 2015, Arr.Cass. 2015, nr. 595) evenwel enkel van toepassing ten opzichte van statutair benoemde ambtenaren. De arbeidsbetrekking van de contractuele overheidspersoneelsleden worden daarentegen geregeld door de Arbeidsovereenkomstenwet die niets over een voorafgaande hoorplicht vermeldt. De verwijzende rechter stelde een eerste prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof of de artikels 32, 3° en 37 § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet (eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst) indien zij een beletsel vormen voor het voorgaande horen van de betrokken werknemer, in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel aangezien het beginsel wel geldt ten opzichte van de statutaire ambtenaar. In een tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met het gelijkheidsbeginsel, van diezelfde artikelen, in die zin geïnterpreteerd dat zij geen beletsel vormen voor het recht van een door een overheid tewerkgestelde werknemer om vóór zijn ontslag te worden gehoord.
Het Grondwettelijk Hof stelt vooreerst vast dat de contractuele werknemer en de statutaire ambtenaar weliswaar een verschillend statuut hebben. Deze verschillende rechtspositie kan het verschil in behandeling in casu, met name de situatie waarbij tegen een personeelslid wegens een negatieve evaluatie een ernstige maatregel wordt genomen, evenwel niet rechtvaardigen. Het Hof wijst erop dat de hoorplicht aan de overheid is opgelegd wegens haar bijzondere aard, namelijk dat zij noodzakelijkerwijs als behoedster van het algemeen belang handelt en dat zij met volle kennis van zaken moet beslissen wanneer zij een ernstige maatregel neemt die verband houdt met het gedrag of de persoon. De artikels 32, 3° en 37 § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet schenden hierdoor het gelijkheidsbeginsel indien zij een beletsel vormen voor het uitvoeren van het beginsel van de hoorplicht.
Wat de tweede prejudiciële vraag betreft stelt het Hof dat deze artikels van de Arbeidsovereenkomstenwet het gelijkheidsbeginsel niet in de weg staan, indien ze zo worden geïnterpreteerd dat ze de uitvoering van het beginsel van de hoorplicht niet in de weg staan.

GwH 6 juli 2017, nr. 2017/86, NjW 2017, afl. 372, 840.