print

Gent 21 maart 2016

Onzeewaardigheid - wet op de binnenbevrachting - verschuldigde vracht - geen pro rata vracht

Het betreft een geschil tussen een binnenschipper en de geadresseerde van de lading die werd vervoerd met zijn binnenschip. Het gaat om een lading ijzerschroot te vervoeren van Oostende naar Châtelet op grond van een riviercognossement. Na ongeveer drie vierde van de reis te hebben volbracht, is het schip gezonken. In eerste aanleg heeft de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, beslist dat het zinken van het schip het gevolg was van onzeewaardigheid. De rechtbank treedt hiermee het standpunt van de aangestelde deskundige bij. De binnenschipper vordert een gedeelte van de vracht van de geadresseerde, bepaald pro rata voor het gedeelte van de reis welke werd uitgevoerd tot het zinken van het schip. De geadresseerde vordert een substantieel bedrag van de schipper als vergoeding voor de schade die werd geleden door het niet uitvoeren van de aangegane reis. In eerste aanleg wordt de vordering van de schipper afgewezen als ongegrond en wordt de vordering van de geadresseerde gedeeltelijk toegewezen. In hoger beroep bevestigt het hof het vonnis ten aanzien van de schipper maar wijst het de vordering voor de vermeende schade geleden door de geadresseerde af. De kosten gemaakt door de geadresseerde voor de organisatie en het toezicht op het lossen van de lading en de reiniging van schip en kade worden wel toegekend.

Gent 21 maart 2016, NjW 2018, afl. 378, 225.