print

Antwerpen 28 juni 2017

Appartementsmede-eigendom - procesbevoegdheid - hoedanigheid en belang om uitvoering dadingsovereenkomst te vorderen - vereniging van mede-eigenaars - privéeigenaars - kwalitatieve rechten - beding ten behoeve van een derde

Zowel de eigenaars van de private kavels die de dading ondertekenden [1], de eigenaars van de private appartementen die hebben gekocht van eigenaars die partij waren bij de dading [2], de eigenaars van de private appartementen op de bijgebouwde verdiepingen [3], als de vereniging van mede-eigenaars (VME) [4], beschikken over de vereiste hoedanigheid en belang (art. 17 Ger.W.) om een vordering in te stellen tot uitvoering van een dadingsovereenkomst waarin twee bouwpromotoren zich er onder meer toe verbinden om twee bijkomende verdiepingen op een appartementsgebouw te plaatsen, en de naar die verdiepingen door te trekken lift volledig te laten keuren, zodat een attest voor inwerkingstelling wordt verkregen voor alle verdiepingen. Voor de eigenaars die hun private kavel hebben gekocht van zij die partij waren bij de dadingsovereenkomst betreft het een kwalitatief recht (art. 1615 BW), terwijl het voor de eigenaars van de bijgebouwde verdiepingen en de VME om een beding ten behoeve van een derde gaat (art. 1121 BW). De VME wordt voor het instellen van de vordering vertegenwoordigd door de syndicus (art. 577-9 § 1 lid 1 t.e.m. 3 BW). Het instellen van een vordering door de VME belet niet dat ook een individuele mede-eigenaar een vordering met betrekking tot de privatieve en/of gemene delen instelt (art. 577-9 § 1 lid 2 BW).

Antwerpen 28 juni 2017, NjW 2018, afl. 380, 309.