print

GwH 18 januari 2018, nr. 2018/8

Strafrecht - verwerping beroep tot vernietiging - terrorisme - art. 140sexies Sw. - resolutie nr. 2178 VN Veiligheidsraad - het grondgebied binnenkomen of verlaten met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf - legaliteitsbeginsel - vrij verkeer van personen - strafbare poging

Artikel 140sexies Sw. vermeldt de elementen op basis waarvan de rechter het bestaan van het opzettelijk element kan vaststellen niet. Hieruit volgt echter niet dat die bepaling de persoon die het nationale grondgebied verlaat of dat grondgebied binnenkomt, belet om vooraf en op afdoende wijze in te schatten wat het strafrechtelijke gevolg van zijn gedrag zal zijn. Een tekst met algemene draagwijdte hoeft geen preciezere definitie te geven van het erin vereiste voornemen. De rechter moet dat voornemen niet beoordelen op grond van subjectieve opvattingen die de toepassing van de bestreden bepaling onvoorzienbaar zouden maken, maar moet objectieve elementen in overweging nemen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van elke zaak.
Het misdrijf bedoeld in artikel 140sexies Sw. is een misdaad, waarvan de poging strafbaar is krachtens artikel 52 Sw. De wetgever heeft dus zowel het verlaten van het nationale grondgebied of het binnenkomen van dat grondgebied als het begin van uitvoering ervan strafbaar gesteld, wanneer aan de voorwaarden van artikel 51 Sw. is voldaan. Hij heeft dus in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaald welke feiten strafbaar worden gesteld, zonder aan de rechter een al te grote beoordelingsbevoegdheid te laten.
De toepassing van artikel 140sexies Sw. veronderstelt dat wordt bewezen dat een persoon het nationale grondgebied verlaat of dat grondgebied binnenkomt met het opzet een bepaalde gedraging aan te nemen die zelf wordt gemotiveerd door een preciezer opzet. Het gegeven dat het voor de vervolgende overheid moeilijk kan zijn om het bewijs te leveren van dat eerste en dat tweede opzet, volstaat niet om artikel 140sexies Sw. onbestaanbaar met het wettigheidsbeginsel in strafzaken te maken. Die moeilijkheid belet de persoon die het nationale grondgebied verlaat of dat grondgebied binnenkomt voorts niet om vooraf en op afdoende wijze in te schatten wat het strafrechtelijke gevolg van zijn gedrag zal zijn. Het gegeven dat de gezamenlijke toepassing van de artikels 51 en 137 tot 141 Sw., zoals zij luidden vóór de aanneming van de bestreden bepaling, de bestraffing mogelijk zou maken van het gedrag dat door artikel 140sexies Sw. als een misdrijf is omschreven, maakt die bepaling niet onbestaanbaar met artikel 12 lid 2 Gw.
Omdat de bestreden bepaling deel uitmaakt van een geheel van maatregelen genomen om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit resolutie nr. 2178 van de VN Veiligheidsraad, schendt zij het beginsel van het vrij verkeer van personen niet.

GwH 18 januari 2018, nr. 2018/8, NjW 2018, afl. 380, 299.