print

Antwerpen 3 april 2017

Borgtocht - artikel 2043sexies § 2 BW - kosteloze aard - nietigheid - inkomsten en vermogen van de borg - ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst - verplichting onderzoek solvabiliteit borg - kennelijk onevenwicht

Artikel 2043sexies § 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere kosteloze borgtocht door een fysieke persoon waarvan het bedrag kennelijk niet in verhouding staat tot zijn financiële mogelijkheden, nietig is. Een partiële nietigheid is niet mogelijk.
De aflossingscapaciteit moet worden beoordeeld aan de hand van zowel de inkomsten als het vermogen. De peildatum is het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst. Het onevenwicht moet 'kennelijk' zijn; er mag met andere woorden over het bestaan ervan geen redelijke discussie kunnen rijzen. De grens van het onevenwicht is pas bereikt, wanneer dit voor de kredietgever 'zonneklaar' moest zijn bij het sluiten van het borgcontract. De bewijslast van de disproportionaliteit berust bij de borg.
Artikel 2043sexies § 2 van het Burgerlijk Wetboek legt aan de schuldeiser de verplichting op om de solvabiliteit van de borg te onderzoeken. Dit moet worden gezien tegen de achtergrond van de leerstukken van de wilsgebreken en van de gekwalificeerde benadeling. De vraag moet dus gesteld worden of de borg het door hem opgenomen risico wel correct heeft kunnen inschatten.

Antwerpen 3 april 2017, NjW 2018, afl. 384, 483.