print

GwH 7 februari 2018, nr. 2018/15

Strafrecht - strafuitvoering - herhaling - artikel 56 lid 2 en 3 Strafwetboek - wanbedrijf - gecorrectionaliseerde misdaad - voorwaardelijke invrijheidstelling - tijdsvoorwaarden - 1/3de en 2/3de - artikel 25 § 2, b) Wet Externe Rechtspositie

De strafrechtelijke herhalingsregels spelen een rol zowel bij de straftoemeting als bij de strafuitvoering. Een gedetineerde die is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf van meer dan drie jaar, maar minder dan dertig jaar, kan een voorwaardelijke invrijheidstelling ('VI') aanvragen na 1/3de van zijn straf te hebben ondergaan. Voor een gedetineerde recidivist was deze grens 2/3de (art. 25 § 2, a) en b) Wet Externe Rechtspositie).
In een arrest van 2014 (nr. 2014/185, NjW 2015, 103) stelde het Grondwettelijk Hof dat een persoon die, in staat van wettelijke herhaling, door een correctionele rechtbank was veroordeeld voor een gecorrectionaliseerde poging tot moord (oorspronkelijk strafbaar met twintig tot dertig jaar opsluiting) ongunstiger werd behandeld in vergelijking met een persoon die in gelijkaardige omstandigheden was veroordeeld voor een niet-gecorrectionaliseerde poging tot moord door het hof van assisen. In het eerste geval, door de mogelijkheid van wettelijke herhaling (gecorrectionaliseerde misdaad na wanbedrijf), gold de hogere grens van 2/3de voor een VI. In het tweede geval kan er geen wettelijke herhaling zijn (misdaad na wanbedrijf), met als gevolg de toepasselijkheid van de standaardgrens van 1/3de voor een VI. In een arrest van 2017 (nr. 2017/102) trok het Hof zijn redenering door naar een misdaad strafbaar met vijftien tot twintig jaar opsluiting.
In het hier weergegeven arrest (nr. 2018/15) gaat het Grondwettelijk Hof nog een stap verder. De vergeleken situaties zijn niet meer de berechting van personen voor verschillende rechtsinstanties, maar wel het in het geding zijnde type misdrijven. Op basis hiervan oordeelt het Hof dat een persoon, veroordeeld in staat van wettelijke herhaling voor een wanbedrijf of een gecorrectionaliseerde misdaad oorspronkelijk strafbaar met vijf tot tien jaar opsluiting, een minder gunstige behandeling krijgt op het vlak van de strafuitvoering (VI na 2/3de), in vergelijking met een persoon veroordeeld voor een gecorrectionaliseerde misdaad oorspronkelijk strafbaar met een andere straf van opsluiting (VI na 1/3de, op basis van de arresten nrs. 2014/185 en 2017/102). Het Grondwettelijk Hof lanceert hiermee een tweetrapsraket: het fundeert een ongrondwettige ongelijkheid op een eerdere, door zichzelf vastgestelde ongrondwettige ongelijkheid.
Na dit arrest mogen we ervan uitgaan dat strafuitvoeringsrechtbanken de tijdsvoorwaarde van 2/3de voor een VI van een recidivist, in de hypothese van artikel 56 lid 2 en 3 Sw., niet meer rechtsgeldig kunnen toepassen. Deze vaststelling geldt zowel voor een nieuw gepleegde gecorrectionaliseerde misdaad als voor een nieuw gepleegd 'puur' wanbedrijf.

GwH 7 februari 2018, nr. 2018/15, NjW 2018, afl. 385, 527.