print

Arbh. Antwerpen (afd. Antwerpen) 17 april 2018

Arbeidstijd - verplaatsingstijd - vergoeding - loon - mobiele werknemer - werknemer zonder vaste werkplek - arbeidstijdenrichtlijn nr. 2003/88/ EG - effectieve arbeid

Een koppel schoonmakers werkte in een mobiele vlinderploeg voor een schoonmaakbedrijf. Een vlinderploeg of vliegende ploeg bestaat uit werknemers die inspringen om afwezige of zieke werknemers te vervangen. Na het ontslag vorderen de werknemers een vergoeding voor de tijd waarin zij op weg waren van hun woonplaats naar de eerste klant en de verplaatsingstijd van de laatste klant naar hun woonplaats alsook de verplaatsingstijd tussen verschillende kanten (het weergegeven arrest betreft de vrouwelijke schoonmaakster, op dezelfde datum verscheen een gelijkaardig arrest voor de man).
Het arbeidshof te Antwerpen spreekt zich ten eerste uit over de vraag of de verplaatsingstijd arbeidstijd uitmaakt en ten tweede, indien het geval, of deze arbeidstijd moet worden vergoed. Het arbeidshof kijkt voor de eerste vraag naar het begrip 'arbeidsduur' in de Arbeidswet, dat conform het EU-begrip arbeidstijd in de arbeidstijdenrichtlijn nr. 2003/88/ EG moet worden geïnterpreteerd. Het arbeidshof verwijst naar de gelijkaardige zaak Tyco van het Europese Hof van Justitie (10 september 2015, nr. C-266/14). Dat arrest handelde over mobiele installateurs van veiligheidssystemen wiens werkgever de regionale kantoren had afgeschaft waardoor zij zich voortaan rechtstreeks van hun woonplaats naar de klanten moesten begeven. Het Hof van Justitie had, aan de hand van artikel 2, punt 1 Richtlijn nr. 2003/88/EG besloten dat de verplaatsingstijd voldeed aan de voorwaarden om arbeidstijd uit te maken. Met name moeten de werknemers [1] werkzaam zijn, [2] moeten ze ter beschikking van de werkgever staan, en [3] moeten ze hun werkzaamheden of functie uitoefenen. Aan de eerste voorwaarde was volgens het Hof van Justitie voldaan gezien de werkplek van werknemers zonder vaste of gebruikelijke werkplek niet beperkt kan worden tot de plaatsen waar zij bij de klanten hun concrete diensten leveren. Aan de tweede voorwaarde was voldaan omdat de werknemers tijdens de noodzakelijke verplaatsingstijd hun tijd niet vrij kunnen inrichten en hun eigen belangen niet kunnen nastreven. En ook aan de derde voorwaarde was voldaan daar de verplaatsingen die de werknemers doen noodzakelijk zijn om hun werkzaamheden bij de klanten uit te oefenen. Hieruit volgt volgens het arbeidshof dat voor werknemers zonder vaste werkplek - zoals in casu het geval - de verplaatsingstijd tussen de woonplaats en de eerste plek en de verplaatsingstijd tussen de laatste klant en de woonplaats arbeidstijd uitmaakt. Wat de verplaatsingstijd tussen twee klanten betreft verwijst het arbeidshof naar Cassatierechtspraak (Cass. 13 april 1992, Soc.Kron. 1992, 300) die reeds heeft uitgemaakt dat dit arbeidstijd uitmaakt. Vervolgens richt het arbeidshof zich tot de vraag over de vergoeding. Noch de Belgische regelgeving, noch Richtlijn nr. 2003/88/EG voorzien in enige bepaling hieromtrent. De schoonmaaksector (PC 121) heeft bovendien de vlinderploegen uitgesloten van de forfaitaire vergoeding voor de reistijd tussen de werven (art. 17 CAO 30 juni 2011). Hierdoor oordeelt het arbeidshof enerzijds dat voor de verplaatsingstijd hetzelfde loon als voor de effectieve arbeid moet worden betaald. Anderzijds willigt het arbeidshof ook de tegenvordering in van de werkgever tot terugbetaling van de uitbetaalde mobiliteitsvergoeding.

Arbh. Antwerpen (afd. Antwerpen) 17 april 2018, NjW 2018, afl. 388, 696.